Toon alles  Uitgebreid zoeken

Details Toneelstuk

Titel toneelstuk 'Levensnacht'
Auteur 1 MAGERMAN Pieter
Auteur 2
Auteur 3
Bewerker
Bewerker 2
Vertaler
Vertaler 2
Genre
Subgenre
Taal Nederlands
Oorspronkelijke taal
Duur minuten
Duur algemeen Eenakter
Rechtenbeheer
Inventarisnummer, Boek 7962 'Levensnacht'
Spelers (min: 0 - max: 0)
-J +J -M +M -D +D -H +H
0 0 0 0 0 0 0 0
Figuranten Nee


Opmerkingen
Inhoud
« LEVENSNACHT » Aan deze trilogie bestaande uit de éénakters : « Oude Rommel », «Betaaldag», «Artikel 17», had Pieter Magerman ook den synthetiseerenden titel «Armhuis» kunnen geven. In deze eenvoudige, naar het leven geteekende, korte drama's, ontwerpt hij een beeld van het droeve bestaan van twee oudjes -- Peerke en Nietje -- welke van hun kinderen verlaten zijn en naar het godshuis moeten, waar zij van elkaar gescheiden worden. In het eerste stukje, « Oude Rommel », wonen wij het bij, hoe één voor één de schamele meubeltjes van de oudjes worden weggebracht, tot ze alleen achterblijven met wat « ouwen rommel ». Het oude Peerken komt in opstand tegen het harde lot. Hij jammert om de ondankbaarheid van zijn kinderen, die hun ouders aan de armoede prijs geven. Nietje echter berust, vindt woorden van troost en verzoening. Wel zéér treffend heeft de auteur het smartelijke beeld dezer arme oude menschjes in hun tragische verlatenheid weergegeven en omkoesterd met de warmte van zijn begrijpende liefde. Met elk stukje van den simpelen huisraad, dat buiten gedragen wordt, brokkelt ook voor de oudjes het verleden met al zijn herinneringen weg en wast rondom hen de drukkende eenzaamheid, waarin alleen hun rotsvaste, door de jaren versterkte wederzijdsche genegenheid bestaan blijft. Dit is het innerlijke drama, waardoor het hart van Peerke en Nietje wordt verscheurd en dat de auteur met zoo eenvoudige middelen weet te suggereeren. In « Betaaldag » -- het middenluik van deze Armhuis-triptiek -- valt het volle licht niet meer op Nietje en Peerke alleen. Het levensbedrijf in een Vlaandersch godshuis heeft Magerman willen schilderen. Opvallend is de gelijkenis, welke deze eenakter vertoont met Gaston Martens' bekende drama : «Paus van Hagendonck». Beide stukken bieden hoofdzakelijk een knappe milieuschildering, met daarin het meer uitgewerkt beeld van enkele kostgangers en de aanduiding van een paar geringe conflictjes. De wijsgeerige « Paus van Hagendonck », waarrond Martens dikwijls alle belangstelling condenseert en die menig tooneel van de drie bedrijven vult met zijn bij poozen wel vermoeiend gepraat en vrij nuttelooze kwinkslagen, vinden we in «Betaaldag» terug, waarin hij thans «de Stijve» heet. Peerke en Nietje, die door het reglement van het huis -- artikel 17! -- gescheiden leven moeten, zoeken elkaar in den duik terug op en wisselen teere woordekens onder de hoede van den goedhartigen « Stijve », die met schalksche oogen en een monkel van begrijpen om de lippen toekijkt... In «Paus van Hagendonck » heeten de vrijende en om elkaars welzijn bekommerde oudjes «Landerken » en «Trieneken»... We willen op de gelijkenis tusschen deze beide werken niet aandringen. Zeker heeft Magerman den invloed ondergaan van Gaston Martens, die zijn streekgenoot kan worden geheeten, doch zijn originaliteit werd hierdoor niet aangetast. Het feit, dat beide tooneelschrijvers, verwante onderwerpen ter dramatiseering kozen, moest schier fataal tot dergelijk samentreffen leiden. Wat atmosfeer betreft en wat de milieuschildering aangaat brengt een stuk als « Betaaldag », niets minder dan de drie bedrijven van «Paus van Hagendonck», waarvan het gebeuren overigens zonder veel bezwaar tot één enkele akte zou kunnen samengeperst worden -- wat de opoffering meebrengen zou van den roman, die er zich ontwikkelt tusschen den «prins» en Nelleken -- een episode waaraan Martens de noodige verdieping liet ontbreken, zoodat ze enkel een anecdotische waarde kreeg. Pieter Magerman heeft in zijn voortreffelijken eenakter feitelijk méér gegeven dan Martens, wiens beeld van het armhuis hij volledigd heeft. De auteur van « Paus van Hagendonck » schiep prachtige typen als Pulle, Jan-de-Doove, e.a.; hij ontwierp bovendien een bewogen fresco van het trage leven in het armhuis. -- Magerman heeft niet minder gedaan. Zóó sterk is zijn milieuschildering, dat wanneer het doek opgaat op de mannenzaal, waar de oudjes rond de hooge kachel gezeten zijn, een flepsche geur van armentierigheid den toeschouwer tegenwaait. Maar hij geeft nog méér. Wat Martens, waarschijnlijk met opzet, verwaarloosde te belichten -- de verhouding tusschen de oudjes en de kloosterzusters -- heeft Magerman in « Betaaldag » in schelle kleuren weergegeven. Martens laat de moeder-overste banaal praten en handelen. Ze lijkt te behooren tot een ander wereldje dan datgene waarover ze regeert. Magerman heeft de zuster-overste in haar stugheid geteekend, terwijl hij zuster Anna een teere, vrome en meewarige ziel schonk. Levensecht zijn beide geestelijke dochters in ieder geval en in hun verhouding tot de oude mannetjes, lei de auteur een groote waarachtigheid. Overigens, in deze betrekkingen lijkt ons het zwaartepunt van het kleine drama te liggen. De oudjes ontvangen hun onaanzienlijk staatspensioentje, waarnaar ze zoo fel hunkerden om lang gekoesterde plannetjes uit te voeren en zich wat schamele weelde-uitgaven te gunnen. Maar velen moeten de kleine schulden afleggen, die zij in het klooster maakten of de druppeltjes jenever betalen, die zij bij de brave zuster Anna borgden... En 't gebeurt ook, dat Moeder-Overste geld afhoudt om de ouwe mannetjes een schoone begrafenis en zelfs, later, ook eenige missen te bezorgen. En Peerke, die daardoor zijn droom, om voor zijn Nietje een nieuwen sjaal en specialiteiten tegen haar hartkwaal te koopen, verwoest ziet, wordt een nieuw kostuum opgedrongen. We weten niet of het den schrijver te doen was om bestaande misbruiken aan te klagen. Van zoo iets als tendens valt niets te merken in zijn stuk. Het is ons niet bekend of hetgeen hij ten tooneele brengt waar kan worden genoemd, of het een greep uit de realiteit is. We hebben dit overigens niet te onderzoeken. Wel konden we vaststellen, dat de auteur aan de waarachtigheid nimmer afbreuk doet. « Betaaldag» met zijn drastische toestanden, zijn sobere handeling, zijn scherp omlijnde typen, zijn soms pakkende en altijd levendige tooneelen en zijn rake, natuurlijke dialogeering, bezit nagenoeg al de kwaliteiten, die een degelijken eenakter kenmerken. In « Artikel 17 » -- het derde bedrijf van deze Armhuistragedie -- verschijnen de door den kloosterregel gescheiden oudjes terug op het voorplan. In den tuin van 't godshuis komen Peerke en Nietje, welke ziek is, in den duik bijeen, ondanks het optreden van den directeur, die wijst op het verbod, dat artikel 17 inhoudt. Het uitgeputte Nietje sterft in de armen van haar jammerenden man. -- Het stukje is schraler van opzet en minder diepgaand dan « Betaaldag». Het brengt enkel de ontknooping van de armhuis-idylle, waarvan de hoofdmotieven in « Oude Rommel» op gelukkige wijze werden aangezet en in « Betaaldag » verder uitgewerkt. Nog poogt de schrijver in «Artikel 17 » zijn « godshuis-schildering » te volledigen, door den verboden minnehandel tusschen den hovenier en de verloopen Fien op het tooneel te brengen. In dit stuk echter moet Magerman het weer afleggen voor Martens, die op aangrijpender wijze en toch met veel soberder middelen het einde van de idylle tusschen «Landerken en zijn Triene» heeft gedramatiseerd, zonder dezelfde uiterlijke effecten als de auteur van «Artikel 17 » aan te wenden.